In DE FLESSENLOODS vindt u namen en kenmerken van gebruiksflessen.

De pagina die u nu bekijkt is verouderd.
Een nieuwe versie van de Flessenloods  is in een handzaam boekwerkje verschenen met daarin de nieuwste foto's, herziene benamingen en teksten plus een apart hoofdstuk gewijd aan kenmerken van flessen.
Een uniek document en een "must" voor iedere flessenverzamelaar. (75 pagina's in full color)
Verkrijgbaar voor slechts 22,50 Euro (excl. verzendkosten) bij de secretaris Joke Andringa (d.gvanloenen@chello.nl)

ZIE HIER VOOR EEN IMPRESSIE:

klik op deze pagina's voor een vergroting

 

Niets van onderstaande publicatie mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze ook en evenmin in een retrieval system worden opgeslagen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van "De Oude Flesch".

Klik op een afbeelding voor een vergrote weergave.

ga terug naar de startpagina

Eng  = Engels
Fr     = Frans
Ned = Nederlands
Rom = Romeins
Sp     = Spaans
(f)     = benaming afgeleid van een firma naam
(g)    = benaming afgeleid van de wijze waarop de fles gebruikt werd
(i)     = benaming afgeleid van de inhoud van de fles
(o)    = benaming afgeleid van de ontwerper van de fles
(m)   = benaming afgeleid van het model van de fles of een deel daarvan
(hist)= historische term
(nv)  = niet verklaarde benaming

ACHTJE (m):

Fles met achtzijdig lichaam, overgaand in ronde schouders en hals: zelfstandige vorm die tot in de 17e eeuw terug te vinden is.

ALABASTRON (Rom/hist):
Een met oortjes uitgerust langwerpig flesje, reeds in gebruik in het oude Egypte, maar vooral in het latere Romeinse Rijk.

ALEPPOFLESJE (hist):
Geribd cilindrisch inktflesje met inhouden van 1/16 tot 1 liter.

ALHAMBRAFLES (m):
In de 20e eeuw gebruikt voor muscadetwijn: speciaal ontworpen voor Fa. Wed. G. Oud te Purmerend, door de ontwerper Jac. Jongert.

ALMORATA, ALMORRATXA  Sp:
Sprenkelkruik (fles) gebruikt voor het besproeien met rozenwater: voorzien van lange hals en vier sproeituitjes. De kruik stamt uit Catalonië (14e eeuw) en lijkt wat op de guttrolf. Zij werden in de 17e eeuw vaak versierd "à la façon de Venise".

AMFORA (m):
Fles naar model van de oude Griekse en Romeinse kruiken (aardewerk, nauwe hals en twee oren). Veel gebruikt voor wijnen uit de Provence, echter zonder oren.

AMSTERDAMMER


ANGSTER (hist):
Fles(je) dat geliefd was in Duitsland (17e eeuw). Bestaat uit enigszins ui-vormige buik en twee tot vijf dunne gestrengelde halspijpen, die uitkomen in een mondstuk. Wordt ook kuttrolf genoemd. Zie aldaar.

APOLLINARIS (f):
Handelsnaam voor limonade en/of bierflesje met regelmatig aflopende schouders en een inhoud van 30 cl. Ook wel "pijpje"genoemd. Het woord is afgeleid van de verpakking van de Duitse mineraalwaterfirma Apollinaris, die aanvankelijk deze flesjes gebruikte.

APOTHEKERSFLES (g):

Algemene benaming voor meestal cilindrische flessen met vaak brede monden en korte (soms ontbrekende) hals, bedoeld voor het bewaren van farmaceutische stoffen en geneesmiddelen. Sluiting door middel van glazen stop of rubberen stop teneinde contact met
de buitenlucht en/of stof te voorkomen.

ARAKFLES (hist) (i):

Langhalzige cilindrische fles (soms in ladies leg model), waarvan de hals ongeveer even lang is als het lichaam. Arak was vooral in de 18e en 19e eeuw een zeer populaire drank; een mengsel van palmsap (o.a. uit Java) en rum (uit West-Indië). Deze flessen werden o.m.
vervaardigd door Deense glasblazerijen voor de Hollandse markt.

ARYBALLOS  Rom (hist):
Kogelvormig flesje met meestal twee oortjes, vooral gebruikt voor geurige badzouten en badoliën.

AZIJNFLES (i):
Verzamelnaam voor huishoudflessen die in een veelvoud van vormen voor kwamen. Onder te verdelen in: verpakkingsglas en tafelgerei. De laatste groep is meestal uitgevoerd in karafvorm en dan samen met een oliefles (zie aldaar) in een houder te vinden.

BABYFLES:
Zie ook zuigfles.

BABYLANGHALS:

Zie langhals.

BALLONFLES (m): Ballonvormige voorraadfles.

BALSAMARIUM Rom (hist):

Eenvoudig vervaardigd tube vormig flesje voornamelijk voor het gebruik van reukmiddelen. Soms met bolvormig onderlichaam.

BALTHAZAR:

Een wijnfles met de inhoud van zestien wijnflessen (12lt.). Gebruikt voor Champagne.

BANDINKTFLES (m):

Cylindervormige inktfles met aan boven- en onderkant van de romp een brede band in de maten 1/1 – 1/2 - 1/4 - 1/8 - 1/16 ltr. (Deze maten staan vaak in de bodem aangegeven) Vanwege de vorm ook wel garenklosje genoemd.

BARBIERFLES (g):
Verzamelnaam van verschillende vormen en kleuren die in gebruik waren bij kappers.

BEAUBONNE (f) (hist):

Een ballonvormige voorraadfles uit de Vogezen c.q. Elzas-Lotharingen. Veelal roodachtig van kleur, soms groen. Voorzien van een afbreektop met gladde of kartelrand. Meestal geen bodempontiel

BEKERGLAS D (m): Dui: Becherglas. Bekervormige, wijdhalzige fles, vooral gebruikt in apotheken

BELGISCHE FLESSEN (hist):

De catalogus van een glasfabriek vermeldde deze benaming. Deze zijn onder te verdelen in o.a. bier- port- en wijnflessen.

BENEDICTINE FLES (hist):

Cilindrische likeurfles met kort, enigszins taps lichaam en lange hals. In Frankrijk sinds de 18e eeuw bekend.

BEUGELFLES (m):

Algemene benaming voor flessen met vooral koolzuurhoudende dranken die met een poseleinen dop en een stalen veer afgesloten worden. In 1875 uitgevonden door Charles de Quillfeldt. Op de dop staat vaak de naam en plaats van herkomst van de drankhandel die de fles in omloop brengt. ook zijn er flessen bekend met daarop de naam van de glashut.

BIBERON (Fr) (g):

Een tamelijk platte, aqua kleurige fles met een tuit vormige monding voor het bijvoederen van lammeren.
Oorspronkelijk verpakt in een tenen omhulsel om breuk tegen te gaan.
Vooral gebruikt in Frankrijk.
De tuit vormige opening van de fles is ontworpen als de uiers van een ooi. De vorm zorgt er verder voor dat de fles niet te ver in de bek van het lammetje kan komen.

BIERFLES (i):

Dit is een verzamelnaam en geen uniforme flesvorm. In de loop der tijden diverse keren aan verandering onderhevig geweest. Bepaalde biermerken hanteren een karakteristieke vorm. Eén catalogus maakt b.v. melding van een "bierflesch, champagne model". Gelijkwaardig: pijpje, pul, eurofles, pint, potje, djogo (Suriname). De Nijkerksche Glasfabriek vermeldt in 1807 een Nederlandse bierfles.

BITTERFLES (i):

Sterke-drankflessen voor allerlei soorten bitters (=medicinale tonicums op alcoholbasis). In de USA veel toegepast tijdens de zogenaamde drooglegging.

BLOEMPOT (Eng: FLOWERPOT) (hist):

Een in het midden brede ronde fles, naar onderen wat taps toelopend. Sterke versmalling naar het halsgedeelte. Vooral in de 18e eeuw veel vervaardigd, o.a. in Sleeswijk-Holstein.

BLUSGRANAAT (g):
Van een korte steel voorziene, rondachtige bal, vaak met geslepen hoeken, gevuld met een dovende vloeistof. Gebruikt vooral in de 19e eeuw om (beginnende) open haardbranden letterlijk uit te gooien.

BOCKSBEUTEL (m):

Karakteristieke wijnfles uit het Duitse Frankenland, met afgeplatte zijkanten en een bijna cirkelvormige buik. Oorspronkelijk voorzien van een oor. Sinds 1728 de officiële fles voor alle Frankenwijnen.

BODEGAFLES (hist):
Fles die gebruikt werd bij een wijnhuis (=bodega)

BOELEN (f):
Benaming voor een ovale flacon met cilindrische hals, waarschijnlijk aanvankelijk in opdracht van de firma Boelen te Nijmegen geproduceerd. Later kregen alle flessen van dit model deze naam. De inhoud van de Boelen bestond meestal uit essences. Kenmerkend is dat de voorzijde twee poot vormige ribbels heeft.

BOLDOOT (JE) (i):

Flesje met afgeplatte zijkant(en) en sprenkeldopje. Ook voorkomend in grote, vierkante uitvoering, als groothandelsverpakking voor reukwater, eau de cologne en strohoedenvernis.

BOLLENGLAS (i):

Een voorwerp met een rond, taps toelopend lichaam (voor water) met daar boven o[p een cuppa (voor de bloembol). Ook wel HYACINTHGLAS genoemd.

BOLOGNEEZER FLESCH (hist):
Kleine peervormige fles die plotseling afgekoeld is na het blazen. Daardoor is het glas uitwendig zeer hard, maar laat men in de fles een steentje vallen, dan is deze stuk.

BOLSCHACHT (m):
Letterlijk (niet historisch) uit het Engels vertaald (shaft and globe). Het oudste type wijnfles (17e eeuw) met lange rechte hals en hol lichaam. Soms voorzien van een glaszegel.

BOLSFLES (hist):

Cilindrische fles met een lange gladde hals.

BOMBARD (hist):
Met een lederen omhulsel beschermde fles of kruik: sinds de middeleeuwen in gebruik.

BONBONNE (f) (hist)
Zie Beaubonne

BORDEAUXFLES (i):

Specifieke wijnfles afkomstig uit de streken rond Bordeaux: cilindrisch met ronde, kort aflopende schouders.

BORDELAISE (hist):
Cilindrische fles met hoge schouders en een korte hals.

BORRELFLES (i):
Verzamelnaam voor de diverse soorten flessen voor sterke drank. Zie jeneverfles.

BOTTEL (hist):
In onbruik geraakte benaming voor een fles (Eng. bottle, Fr. bouteille) nog aanwezig in de woorden:
-bottelen = op flessen tappen
-bottelier = opzichter over de wijnkelder of drankvoorraad
-bottelaar = iemand die beroepsmatig drank bottelt
-bottelarij = gelegenheid waar dit gebeurt
-bottelbier = bier op flessen.
Ook de woorden botte of butte (hist) hebben hier iets mee te maken (d.i. een vat waarin iets wordt bewaard)

BOURGOGNEFLES (i):
(Fr. bourguignonne)

Wijnfles uit het gebied Bourgondië, met lange aflopende schouders en korte nek, bodem met of zonder ziel. Ook Bourgondische fles genoemd.

BOVRIL FLESJES (Eng) (f)

Flesjes, waarin een vleesextract, dat o.a. in de oorlog tussen Engeland en Frankrijk in 1870 - 1871 als bijvoeding aan Engelse soldaten werd uitgereikt. Later gewoon gebruikt als aroma in soepen.

BRANDEWIJNFLES (hist):
(Noors BRENNEVINSFLASKER)
Platte, ovaalvormige fles met bollende zijden. In het midden dicht gezogen (effect van een vacuum gesealde in plastic verpakte rookworst). Als versiering is een glazen ribbelrand over de rugzijden aangebracht. Populair eind 18e- begin 19e eeuw.

BRISTOLKRUIKJES (Eng) (plaatsnaam)
 

Glazen sierfles met rond lichaam, aan twee zijden afgeplat. Voorzien van loden of koperen sierrand en stopper. Vervaardigd vanaf begin 19e eeuw als meest bekende product van de grote glasindustrie in Bristol. In het begin alleen gemaakt in het bekende Bristol Blue, maar later ook vervaardigd in diverse heldere kleuren.

BRONWATERFLES (i):
Zie mineraalwaterfles.

BUIKJE (m):
Wijnfles met een korte gedrongen vorm, vooral in gebruik aan het einde van de 17e eeuw, ook wel kattekop genoemd (zie aldaar). Een overgangsvorm van de shaft and globe en de paardehoef (zie aldaar).

BUISJE (m):

Nauw flesje zonder hals of mond, gebruikt voor pillen, tabletten etc.

CACAOFLES (POT) (hist):

Rechtwandige fles met afgeplatte hoeken. Behorende tot de familie der wijdmonden. Werd ook als snuiftabak-fles gebruikt. (Vanaf de 18e eeuw)

CACAOSIROOPFLES (hist):
Cilindrische likeurfles met korte hals, voorzien van verdikte overgang van lichaam naar hals.

CAFEFLES (g)
Een soort voorraadfles, werd gebruikt in cafés. Zie o.a. de lamsbout.

CALBASSEN (hist):
Ook wel kalebasfles d.i. een pompoen vormige fles (18e eeuw), meestal in de vorm van een mandfles.

CALCOENTJE:
Zie kalkoentje


CALVADOS FLES Fr. (hist)

Een in het midden versmallende, cylindrische fles, veelal van donker glas vervaardigd met een dubbele ring om de top. Vooral in de 18e en 19e eeuw gebruikt voor de opslag van de beroemde ciderbrandewijn uit het Departement Calvados.

CANTARO
Sp (hist):
Wijn- of waterfles van ronde of ovale vorm op een breed uitlopende voet, voorzien van twee tuiten, een om te drinken, de andere (wijder) om te vullen. Meestal met een ringvormig handvat waarop een versiering. Tijdens het drinken wordt de fles in de hoogte gehouden om de inhoud met een boog in de mond te schenken, waarbij de duim via de grootste opening de straal regelt.

CASTOROLIEFLES Eng. (i):

Extreem slanke cilinder fraai bewerkt met ruitvormen en gedraaide lijnen. Meestal vervaardigd van aqua of blauw glas.

CAZAVONS (hist) (nv):
Deze naam is gevonden in een grootboek van een glas fabriek uit 1763, maar is nog niet
verklaarbaar.

CHAMPAGNEFLES (hist: schomp) (i):

Robuuste, langhalzige wijnfles met geleidelijk aflopende schouders en wijde mond. 

Franse maten:                                          Engelse maten:
Quart                18,85 cm    0,200 lt        Quarter-Bottle      62 fluid ozs 
Demie               24,35 cm    0,375 lt        Half-Bottle             13
Bouteille          30,00 cm    0,750 lt        Imperial Pint          192
Magnum           37,15 cm    1,500 lt        Bottle                      26
Jéroboam        47,45 cm    3,000 lt        Magnum                  2 bottles
Réhoboham     54,00 cm    4,500 lt        Jeroboam               4
Mathusalem     57,80 cm    6,000 lt        Rehoboam              6
Salmanazar      64,15 cm    9,000 lt        Methuselah            8
                                                                     Salmanezah           12
                                                                     Balthazar                16
                                                                     Nebuchadnezzar   20
Grote maten waren geliefd omdat champagne zich daarin beter ontwikkelde.

CHESTNUT BOTTLE (m):
Zie kastanjefles.

CODD BOTTLE (KOGELFLES) Eng (o) :

Een door Hiram Codd  in 1870 uitgevonden en ontwikkelde fles met glazen kogel die door interne druk afdicht op een rubber zitting in de flessenhals.
Er volgden snel een groot aantal patenten waarvan er een tiental ook langdurig geproduceerd werden. Veranderingen zaten hoofdzakelijk in de inkepingen of instulpingen in zowel de hals,de schouder en ook in de bodem. Bekende namen hierbij zijn het Reliance Patent van Rylands, het Nigara, het Beavis, het Snowdrop en het Barrett & Elers Patent. Om herkenbaarheid te vergroten werd later de Codd bottle in kleur of met gekleurde top uitgevoerd.

COGNACFLES (i):
Cilindrische fles, die vrijwel overeenkomt met de Bourgondische wijnfles.

COLA of COCA COLAFLES (i):
De karakteristieke ribbelfles met een geknepen welving in het lichaam, wereldberoemd sinds de ingebruikname in 1916. Voordien waren er diverse andere vormen. Ontworpen in 1913 door Earl R. Dean van de Root Glass Co. Er zijn heel wat processen geweest om de rechten van Coca Cola op de typische vorm te beschermen. Cola wordt sinds 1886 bereid, aanvankelijk als middel tegen hoofdpijn.

COMPTOIR (hist):
Zie kantoorinktpot.

CONSTANTIA (i):

Langhals wijnfles, gebruikt voor de Zuid-Afrikaanse Constantia wijn, doorgaans voorzien van een glaszegel. Bekend sinds de 18e eeuw.

DECANTER, DECANTEUR (Eng 18e eeuw):

Flesvormige karaf met stop: vele modellen met meestal vloeiende geleidelijk aflopende lijnen, vaak versierd, gebraveerd of geslepen. Decanteren= een vloeistof langzaan overgieten om bezinksel te verwijderen.

DEMIJOHN, DEMYOHN (hist):

Grote, enigszins bolvormige (mand)fles voor transport en opslag van alle mogelijke vloeistoffen, waaronder wijn (inhoud 5 liter en meer). De oorspronkelijke bolvorm heeft later meer echte zijkanten gekregen. De van oorsprong Arabische naam "damaschan" voor deze fles is verbasterd tot het Franse "Dam Jean"en het Englese "Demijohn". In Duitsland werd in de 19e eeuw nog gesproken van een "Matrozenfles".

DJOGO (hist):

Surinaamse benaming voor een grote zware cylindrische bierfles van 1 liter.

DON LORENZO LIKEURFLES (hist) (nv)
Aangetroffen in een oude flessencatalogus. Nog niet verklaarbaar.

DOP:
Zie fonteintje.

DRUPPELFLES (m):
Verzamelnaam voor medicijnflesjes met een tuitje, soms in combinatie met een glazen stopje om nauwkeurig een bepaald aantal druppels af te meten. Komt in vele maten voor. Ook drupfles, tuitfles.

DUBBELCONISCHE FLES (m):
Middeleeuwse fles, gevormd door een soort beker op een voet samen te smelten met een (omgekeerd) trechtervormig bovendeel. De buitenste rand van de omgekeerde trechter hangt over de opstaande rand van de beker heen. Gebruikt vanaf de 13e tot de 17e eeuw. Het bekendste productiecentrum lag in Duitsland (Spessart).

DUBBEL MAGNUM (hist):
Een wijnfles met de inhoud van vier wijnflessen (3lt.). Gebruikt voor Bordeaux.

DUIKELAAR (g):
Bolvormig flesje met rechte, relatief lange hals. Vroeger in gebruik boven de wastafels gevuld
met vloeibare zeep. Tuimelde door het eigen gewicht terug in opstaande stand.

DUMPY (Eng / Ned) (m)

Dikbuikige fles met korte hals voor wijn, vervaardigd tussen 1650 en 1680 en in het algemeen beschouwd als voorloper van de kattekop.

EAU DE COLOGNEFLES (i):

Algemene benaming voor diverse reukwater- en odeurflessen. De naam eau de cologne is in de 20e eeuw ontstaan toen een firma Glockengasse 4711, haar reukwater zo noemde.

ENGELSE FLES (hist):
Varianten die vermeld worden zijn: Engelse bierfles, Engelsche bierschroeffles, Engelse export bierflesch, Engelsche ale-fles, Engelse azijnfles, Engelsche jeneverfles, Stout nip en Ale nip.

ETALAGE STOPFLES (g):
Zie tentoonstellingsfles.

EUROFLES:
Moderne benaming voor een grote bierfles met korte hals en kroonkurksluiting. Ingevoerd om een standarisatie in de Europese bierflessen te bewerkstelligen. Tot gebruik op grote schaal, zoals bedoeld, is het echter nooit gekomen.

ESSENCEFLES (hist):

Kan diverse vormen hebben b.v. voor azijnessence plat met ronde schouders en een maarverdeling. Voor vruchtenessence is de vorm rond met een rechte hals.

FALLUSGLAS (m):

Penisvormig flesje, soms ook voorzien van een scrotum, vervaardigd door de eeuwen heen (zie ook Penisflesje)

FIASCO It (h):
Met geweven stro omvlochten fles met holle bodem voor opslag en transport van wijn (14e eeuw). N.B.: ons woord fles komt hier vandaan.

FIETS- RIJWIEL- GEWEEROLIEFLESJES:
Platte flesjes met "verzonken" voor- en achterzijde en ronde, horizontale schouders: korte brede hals en wijde monding.

FIGUURFLES (m):

Engels: figural. Fles geblazen in de vorm van een mens, dier of voorwerp. Bestemd voor de verpakking van b.v. reukwater en likeur.

FIOOL, PHIOLA (hist):

Wijdbuikig, langhalzig (medicijn)flesje uit de 18e eeuw. Niet te verwarren met een fles in de vorm van een viool (figuurfles).

FLACON, FLAKON, FLACCON (hist):
Verzamelnaam voor diverse (sierlijk gevormde) flessen en flesjes voor likeur, parfum, inkt etc. Soms dikwandig en voorzien van een metalen sluitingsdop.

FLUITFLES:
Zie Rijnwijnfles.

FONTEINTJE (m):

Drinkflesje aan vogelkooien. De monding van het flesje is gesloten en in plaats daarvan zit onderaan het lichaam een glazen napje.

GARENKLOSJE (m):
Rond flesje, meestal voor inkt, gelijkend op een garenklosje. Bij de inktfabrikant Gimborn werd dit model band inktfles genoemd (zie aldaar). Komt in vele maten voor.

GIFFLES (i):
Zie vergiffles.

GUTTROLF:
Zie kuttrolf.

HAARLEMMEROLIEFLES, HAARLEMMERTJE:

Langwerpige glasbuisjes met een diameter van 1,5 tot 2 cm. In 1698 werd "Oprechte Haarlemmerolie" voor het eerst gemaakt door de schoolmeester "Claes Tilly". Dit opschrift alsmede de Koning Tilly, Wed. Claes Tilly en C.K.T. komen bijna altijd op de flesjes voor. Er bestaat een keur aan imitaties van het "Tilly" flesje, het bekendste hiervan is dat van "Gebr. Waaning".

HAARWATERFLES (i):
Zie luizewaterfles.

HAMER (m):

Eng. mallet. Nederlandse vertaling (niet hist) voor een typische wijnflesvorm, die zijn naam dankt aan een bepaalde hoekigheid van het lichaam (een houten blokhamer met korte steel). Overgangstype tussen kattekop (zie aldaar) en de cilindrische flesvormen.

HAMILTON  Eng (o):

Een torpedo-vormige fles genoemd naar de uitvinder Paul Hamilton.
De Hamilton komt voor in 2 standaardmaten en werd uitsluitend voor limonade en mineraalwater gebruikt. Ze werden gefabriceerd van ca.1860 tot 1920. Een groot gebruiker als Schweppes is altijd trouw gebleven aan de Hamiltons en is nooit overgegaan naar de Codd bottle.
In later stadium is er ook een uitvoering met vlakke bodem gekomen die dus wel kon staan.

HANEPOOTFLES(g):

Een fles met een bolvormig lichaam met een platte onderzijde en een vrij lange hals met een ring er omheen. Vanaf de onderkant van de hals lopen als ribben de klauwen van een haan. Vooral gebruikt als verfraaiing van de tafel, veelal van een bijzondere kleur donker glas vervaardigd. Vooral gebruikt eind 17e eeuw.

HALSRINGFLES (m):

Algemene benaming voor cilindrische flessen met één of meerdere glasringen op de schouder of hals, aanvankelijk bedoeld als opvang voor gemorste vloeistof, later ook versierend element, soms als onderdeel van de flesvorm.

HARINGFLES (POT) (i):
Wijd mondige fles c.q. pot in verschillende afmetingen en modellen. Altijd met ronde schouders en een korte hals, af te sluiten met een glazen deksel. Dikwijls gebruikt voor haring of rolmops.

HEUPFLES (g):

Algemene benaming voor een afgeplatte fles met een holle kant om (op reis) in de zak mee te kunnen nemen. Vele modellen zijn voorzien van een metalen dop die als bekertje gebruikt kan worden.

HISTORICAL FLASK USA (m):

Platachtige (whisky)fles met op de platte zijden in reliëf een historische (USA)-figuur of –voorstelling. 1e helft 19e eeuw. Vermoedelijk meest verzamelde flestype ter wereld.

HOCK Eng:

Zie moezelwijnfles. Naam is door de Engelsen afgeleid van de plaatsnaam "Hochheim" Dld.

HOPFLES:
Stopfles waarvan de stop een kinderhoofdje wordt genoemd.

HORLOGE (m):
Zie bocksbeutel en kinawijnfles

HUISHOUDFLES (g):
Zie voorraad of inmaakfles

HUTCHINSON USA (o):

Cilindrisch sodawater/priklimonade flesje met een door Hutchinson ca. 1875 uitgevonden patentsluiting. Wat voor Europa het kogelflesje/codd bottle was, was de Hutchinson voor de USA.

HYACINTHGLAS:
Zie bollenglas.

HYBRIDE (m):

Een combinatie van een Hamilton en een Codd bottle. De fles heeft dus een torpedovormig lichaam en kogelsluiting van de Codd bottle. Naast Engeland werden ze vooral in Zuid Afrika gemaakt. Ook bij deze fles komt er later een uitvoering met vlakke bodem zoals bij de Hamilton.

HYPOCRASFLES (i):
Cilindrische slanke fles met vrij platte schouders en tamelijk lange, iets opbollende hals. Hypocras, ook als Hipocras of als Hippocras geschreven, is een gekruide wijn, vernoemd naar het "filter van Hypocrates", waarmee de wijn gezeefd werd. Hypocrates was een Griekse arts uit de vijfde eeuw voor onze jaartelling.

IGLO (m):
Engels model. Inktflesje in de vorm van een iglo.

IMPERIAL (hist):
Een wijnfles met de inhoud van acht wijnflessen (6lt.). Gebruikt voor Bordeaux.

INKTFLES (i):
Verzamelnaam, aanvankelijk werden wijnflessen (Bordeaux) gebruikt. Later (omstreeks 1930) kwam de karakteristieke vierkante eigen vorm (Neelmeyer, Talens) met brede monding voor schenkkurk. Een andere bekende vorm is de band inktfles (zie aldaar).

INKTPOTJE, -FLESJE, -KOKER (hist):
Verzamelnaam, komt in zeer veel modellen voor. Engeland is bekend om zijn "figuurvormen". Nederlandse benamingen: penlegger, klokje, neelmeyertje, garenklosje, slofje, strijkijzer en (baby)lang-hals. Veel inktflesjes zijn van een penlegger of penleggers of richel voorzien.

INMAAKFLES (POT), INLEGFLES (g):

Verzamelnaam voor glazen, potten en flessen om etenswaren in te conserveren. Soms met schroefdop of klembeugel (in combinatie met glazen deksel), ook sluitingen met doek of lederen lap komen voor, waartoe de hals dan van een brede rand was voorzien. Uitvoeringen ervan in gres of steengoed zijn ook veel gebruikt.

JACHTFLES (g):
Platte, gemakkelijk mee te nemen fles, soms versierd met afbeeldingen van dieren en/of jachttaferelen op de zijden.

JACHTWATERFLES (hist):

Flesje bestemd voor de verpakking van jachtwater. Jachtwater was een middel tegen hoofdluis.

JAMPOT (i):
Zie marmeladepot.

JANUSKOPFLES Rom (m):
Malgeblazen pictorale fles, waarbij het lichaam gevormd wordt door twee mannelijke hoofden in reliëf.

JENEVERFLES (i):

Verzamelnaam voor meestal kort halzige flessen waarin jenever wordt bewaard en vervoerd. Een bekende is de vierkante (taps toelopende) kelderfles (zie aldaar). Vanwege de grote variëteit in opdrukken en zegels een geliefd verzamelobject.
Opm.: voor binnenlands gebruik werd veelal van stenen kruiken of houten fusten gebruik gemaakt, voor export werden de flessen verpakt in de zogenaamde "kelders".

JEROBOAM (hist):

Een wijnfles met de inhoud van zes wijnflessen (4,5lt.). Gebruikt zowel voor Bordeaux,
Bourgogne, Port als Champagne.

JONGERT (o):
Zie Alhambrafles en Knobbelfles

KALEBASFLES (m):

Fles voor sterke drank met een buik in kalebasvorm voorzien van een lange slanke hals, inhoud 1/4 gallon, dit is ongeveer 1,25 liter.

KALKOENTJE ook CALCOENTJE (hist):

Buikig wijnflesje met een inhoud van 1/5 liter of minder, de afmetingen van de hals zijn als bij een normale fles, het lichaam is in verhouding zeer klein.
Opm. De overlevering wil dat de fles vernoemd is naar de Hollandse advocaat Willem Calcoen, die op doktersadvies zijn wijngebruik moest beperken tot 1 glas per dag. Door van deze fles gebruik te maken kon hij toch zijn oude gewoonte handhaven, te weten 1 fles per dag. Vermoedelijk echter is de naam afgeleid van het (oud) Franse woord Calqhoun (paardehoef).

KALKSTOPFLES (Ned) (i):

In de stop van deze fles ging ongebluste kalk. Dit trekt vocht aan en de inhoud -waar het om gaat- bleef droog.

KAMEELFLES (ZADELFLES) (m):

Platte fles met glasdraden om de hals. (Zware uitvoering vaak blauwgroen). Het verhaal luidt dat deze fles bekleed met een touw aan het zadel van een kameel werd gehangen.

KANTOORINKTPOT (g):

Stevige, meestal kristallen inktpot met een schuine monding aan de zijkant en daar boven en onder een pennegleuf (soms meer). Bij deze potten hoorde een soort dop, een zgn. pennegeleider, dit om het indopen van de pen te vergemakkelijken en de stofinval te voorkomen.

KAN(S)FLESSEN ook PLATTEKAN(S)FLESSEN (hist):
Fles of kruik van een zekere geijkte maat.

KARAFFLES (m):
Rechtwandig taps toelopend fles(je) voor o.a. vruchtensappen en limonades

KARSEBOTTEL ook KERSFLES (hist):
Fles met een wijde monding en bestemd voor het conserveren van kersen en andere vruchten.

KASTANJEFLES (m):
USA: Chestnut Bottel

Afgeplatte bolvormige fles, qua vorm tussen een Spawaterfles en een kattekop in. Vooral in de 18e eeuw in de USA geblazen.

KATTEKOP (FLES):
Eng. Dutch onion.

Breedbuikige fles met een sterk afgeplatte bodem en korte, taps toelopende hals. Vooral voor wijn gebruikt. Wordt ook wel buikje genoemd. Karakteristieke fles die bij verzamelaars in trek is. Oudere exemplaren zijn vaak "primitief" geblazen, weinig maat vast, scheef en instabiel, verder voorzien van een duidelijk pontilmerk en soms van een glaszegel of cachet.

KELDERFLES, (CELDERFLES) (m):
Eng. Dutch case gin.

Vierkante, taps toelopende breedgeschouderde jenever en likeurfles. De naam is afgeleid van een kelder, dat is een kistje met twaalf of vijftien vakken waarin de flessen rechtopstaand vervoerd kunnen worden. Typerende fles, één van de meest verzamelde ter wereld, niet in de laatste plaats vanwege opdrukken/fabrieksmerken en/of glaszegels.
Opm. Volgens het Nederduitsch Taalkundig woordenboek is een kelder: "een houten kistje waarin flesschen met sterke wateren opgesloten worden". een historische variant hierop is "kelderflesch voor de Westkust" (waarmee dan Afrika bedoeld werd), een veel minder taps model van een lichter groen glas en op de zijkant voorzien van een afbeelding in reliëf (meestal een dier).

KEGELFLES(JE) (hist):
Zie karafflesje.

KERKEBOL:
Zie ordinaal

KERK(JE) (m):

Klein, vierkant Oost-Indisch- of tekeninkt flesje, met oplopende schouders en in verhouding brede cilindrische monding.

KEULS FLESJE (hist):
Ui-vormig limonadeflesje met "sinaasappelhuid".

KINAWIJNFLES (g):

Nederlandse versie van de bocksbeutel. Door diverse firma’s gebruikt voor een kininehoudende wijnsoort, waaraan een geneeskrachtige werking werd toegeschreven.

KLOKJE (m):
Benaming voor een klokvormige fles, die meestal als inkt- of lijmpot werd gebruikt.

KLOMPFLES (m):
Eng. Boot bottle.

Typisch gevormde, breed uitgeblazen en aan beide zijden afgeplatte fles. Lijkt op een klomp. Vermoedelijk van Nederlandse origine (laat 17e eeuw). Later werd deze naam ook wel gebruikt voor klomp vormige inkt- en parfumflesjes.

KNIKKER(INKT)FLES (m):

Niet te verwarren met de limonade-kogelfles. Inktflesje met in de (lange) hals een glazen knikker, teneinde daar een resevoirtje te laten ontstaan voor het vullen van een pen. Types bij Gimborn zijn: Langhals en Babylanghals. Ook in gebruik bij de firma Waterman.

KNIJPFLES (m):
Zie kuttrolf.

KNOBBELFLES (m):

Fles, genoemd naar de "knobbels" of ringen rond de hals. Ontwerp: Jac. Jongert. Geproduceerd vanaf ongeveer 1920, meestal machinaal. Er zijn vijf verschillende maten. Zie ook Alhambrafles.

KOETJE (m):
Klein plat flesje met ring om de hals en een afbeelding van een koe met een bel. Werd gebruikt voor melkproducten.

KOETSIERSFLES (g):
Zie heupfles.

KOFFIE-EXTRACTFLES (his):
Geen speciale vorm. Zie ook essencefles.

KOGELFLES, KNIKKERFLES (zie ook Codd Bottle)(m):
   
Verzamelnaam voor diverse soorten limonadegazeuseflesjes die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat de sluiting door een glazen knikker of kogel bovenin de hals tot stand komt. Deze bleef door de gasdruk van de vloeistof tegen een rubberen ring, bevestigd in een uitsparing onder de monding van de fles, zitten. Een zware, niet licht breekbare flwes, vaak voorzien van opdrukken in de vorm van letters of symbolen. In de hals bobbels of ribbels waar de kogel achter moest blijven steken bij het uitschenken van de fles. Er waren speciale houten openers in de handel voor het omlaag duwen van de kogel.
In Vlaanderen wordt dit flesje "saffarke" genoemd

KOLF, KOLFFLES (m):
Bolrond of ei-vormig glazen var met rechte of gebogen hals (laboratorium doeleinden). Enige types zijn: kromhals, spitskolf, platbodem- en rondbodemkolf, driehalskolf.
Kolffles = fles in de vorm van een kolf.

KORT-DIKKERTJE (m):
Eng. dumps

Verzamelnaam voor vrij korte, kleine brede fles, die voor diverse dranken is gebruikt.

KROMHALS (hist) (m):
Gebogen kolf of kolffles (zie aldaar)

KRAAMFLESJE (hist):
Rond of (zes)kantig flesje, korte schouders en kleine opening. Inhoud "muizenkeuteltjes"(muisjes), een bekende traktatie tijdens de kraamvisite. Blank glas, veelal beschilderd, bekend vanaf de 19e eeuw.

KRUIKFLES (m):

Hoge cilindrische fles qua vorm geheel overeenkomend met de bekende stenen kruik.

KUTTROLF of GUTTROLF (hist):

Fles met bolronde romp en lange hals, gevormd uit twee tot vijf ineengestrengelde holle buisjes, die in een mondstuk samenkomen. De vorm is waarschijnlijk van Oosterse origine (4e eeuw). Vermoedelijk om uit te drinken, hoewel de vloeistof slechts druppelsgewijs uit de fles komt. Gutta (lat.)=druppel. Zie ook angster.

LABORATORIUMFLES (g):
Algemene benaming voor glaswerk en flessen uit laboratoria, gebruikt voor diverse chemische vloeistoffen.
Opm. pipetfles, spuitfles, Woulffsefles, Erlenmeyer, kolf etc.

LADIES LEG (m):

Zie ook langhals. Variant op de langhals. Zeer typische cilindrische wijnfles met kort lichaam en in verhouding daarmee lange hals, die dan de vorm van een vrouwenbeen moet hebben. Een naam die door verzamelaars aan bepaalde typen langhals flessen is gegeven.

LAMSBOUT (hist) (m):
Fraaie voorraadfles met een vlakke zijde (achterkant), op de bolle zijde (voorkant) dikwijls versierd met opschriften of beschilderingen. Zij stonden op planken in horecagelegenheden zoals proeflokalen en waren niet voor transportdoeleinden bestemd.

LANGHALS (hist) (m):

Ook de namen "langhals schuimborsten" en "Oost-Indische langhalzen"zijn als historisch
aan te merken. Verzamelnaam voor alle flessen met in verhouding tot het lichaam een lange hals. Deze hals kan verschillende vormen hebben (zie ook ladies leg). Beroemd is in dit geval de Constatinawijnfles met glaszegel. Ook sommige Gimborn inktflesjes dragen deze naam.

LEVERTRAANFLES (i):
Dit zijn diverse soorten stevige flessen voor levertraan(emulsie). vaak achtkantige platte flessen met verzonken voor- en zijkanten, voor resp. etiket en firma-opdruk. De schouders lopen taps toe en eindigen in een cilindrische hals. Voorkomende maten: 1/4, 1/2 en 1/1 liter.

LIKEURFLES (i):

Verzamelnaam voor meestal sierlijk gevormde en in vele maten voorkomende fles, soms met maatverdeling op de zijkant. Deze vond men vroeger wel in de keukens van de beter gesitueerden voor het op smaak brengen van gerechten. Vele likeurmerken hebben hun eigen karakteristieke flessen zoals b.v. Bénedictine. Voor tafelgebruik werden zij ook wel per aantal verpakt in een speciaal daarvoor bestemd, mooi afgewerkt, kistje, likeurkeldertje genaamd.

LIMONADE (GAZEUSE) FLES (i):
Dikwandige flessen voor allerlei soorten limonade d.i. koolzuurhoudend drinkwater met een aroma voor smaak. In 1840 voor het eerst gemaakt door de Amerikaan Eugene Roussel.

LUIKER BOURGOGNE - LUIKSE BOURGOGNE (hist):

Zie Belgische flessen
De rechter flessen met fraai etiket zijn een 3/4 en 3/8 liter fles. Deze hebben geen ziel, maar een vlakke bodem.

LUIZEWATER-, HAARWATERFLES (i):

Fles met daarin haarwater tegen roos of luizen: ook de term jachtwater werd in dit verband gebruikt.

LUMMEL (hist):

Vierkante fles met vrijwel rechte en zeer dunne wanden, zeer korte hals en brede platte kraag. Ook bekend zonder kraag en met tinnen schroefdop als sluiting (15e, 16e en 17e eeuw). Bekend van diverse oude schilderijen. Wordt wel als één van de vroegste verpakkingen voor jenever gezien, doch hier bestaan geen sluitende bewijzen voor. Reden hiervan is ook dat het toepassingsgebied van een bepaald flestype vroeger veel breder was dan nu het geval is.

LYSOLFLESJE (i):

Malletvormig flesje specifiek voor het gebruik van het (oorspronkelijk Duitse) ontsmettingsmiddel "lysol", uitgebracht door "Schulke & Mayr, Hamburg". De schoorsteen van de fabriek in Boston (USA) is in de vorm van dit flesje gebouwd.

MADEIRA (MADERA) FLES (i):

Een relatief kleine fles met vierkante romp en sterk afgeronde schouders, hals en lichaam, ongeveer even lang, soms met glaszegel, "Dry Made(i)ra Wyn" ook "Dry Madeira". De bodem heeft de vorm van een vooroorlogse Nederlandse stuiver.

MAGGIFLES (i):

Vierkante, soms iets bollende fles met lange hals, monding met doseerdop of schenktuit. De naam is afkomstig van het handelsmerk Maggi, die als eerste soep-aroma op de markt bracht. Glasreliëfcijfers op de hals met een nummering van 0 t/m 6, oudere exemplaren hebben soms een glaszegel.

MAGNUM (hist):

Een wijnfles met de inhoud van twee wijnflessen (1,5lt) Gebruikt voor zowel Bordeaux.
Bourgogne, Port als Champagne.

MAND(E) FLES (m):
Eng. demijohn-carboy.
Algemeen: flessen die voor extra veiligheid met een mand- of matwerk omvlochten zijn. In het bijzonder grote bolvormige flessen, dikwandig, met een inhoud van 5 tot 50 liter, soms nog groter. werden voor transport en opslag van alle mogelijke vloeistoffen gebruikt o.a. ook voor zuren en andere bijtende chemische stoffen.
Opm. De kleine mandflessen tot 25 liter worden in Engeland demi-john en de grotere carboy genoemd.

MARASQUIN, MARASCHINOFLES (i):

Hoge, slanke likeurfles, vierkant of rond, smalle dito romp, vaak voorzien van een glaszegel. Tegen breuk meestal met riet of biezen omvlochten.
Opm. Bekend is in dit geval de naam ZARA, vroeger de hoofdstad van Dalmatië, nu Zadar in Joegoslavië. ook in Nederland werd deze kersenlikeur uitgebracht door enige firma’s, o.a. "Bols" en "Levert & Schudel"

MARIE-JEANNE (hist):
Een wijnfles met de inhoud van drie wijnflessen (2,25lt.). Gebruikt voor Bordeaux.

MARMELADE-, JAMPOT (i):
Potten voor vruchtenconfituren, afsluitbaar met deksels, platte kurken en cellofaan/papier, zowel verpakkingsglas als tafelgerei.

MARTINIQUE FLESJE (hist):
Likeurflesje met kort, iets opbollend halsje.

MEDICIJNFLES (i):
Verzamelnaam voor diverse soorten flessen en flesjes in de meest uiteenlopende vormen, formaten en kleuren.

MELKFLES (i):

Cilindrische, stevige, brede fles met zwak aflopende schouders, korte hals, brede monding, soms voorzien van beugelsluiting.

MENGEL-MINGEL (hist):
Een fles met de inhoud van een halve stoop of een halve kan. Blijkbaar was dit nogal streekgebonden.

MEPLATZ

METHUSALEM (hist):
Een wijnfles met de inhoud van acht wijnflessen (6lt.). Gebruikt voor Bourgogne en
Champagne.

MINARETFLES (hist):
Naar boven taps toelopende fles met onder de hals een vrij grote kogelvormige uitstulping.

MINERAALWATERFLES (i):
Verzamelnaam voor alle modellen flessen met koolzuurhoudend mineraalwater (natuurlijk of kunstmatig). De vroegste vormen lijken op de laat 18e eeuwse bierflessen, cilindrisch, rechte zijden en korte cilindrische hals. Om het ongemak van indrogende kurken te voorkomen werden allerlei constructies bedacht:
- Hamilton dat is een ei- of torpedovormige fles die liggend gelagerd moest worden waardoor de kurk vochtig bleef.
- Kogelfles (zie aldaar)
- Beugelfles (zie aldaar)
- Sifonfles (zie aldaar)
- Flessen met interne schroefdraad, waarin een glazen of bakelieten schroefstop werd             gedraaid. (Glasfabriek "De Schie" vermeldt in haar assortiment ook een "Indisch mineraalwater fleschje").

MINIATUURFLES (m):
Flesjes met geringe inhoud, meestal kopieën van bestaande grotere flessen.

MOEZELWIJNFLES (i):

Ook wel "hock" genoemd. speciale wijnfles uit het Duitse Moezel- en Rijngebied met lange, slanke, geleidelijk aflopende schouders. Zie ook Hock.

MOSTERDPOT (i):

Tamelijk brede, meestal wijde potten met brede ribbels en/of horizontale glasringen: meestal ton vormig.

MUIZENFLESJE (hist):
Klein formaat flesje voorzien van emailbeschildering of verguldsel. Ook vierkantflesje met glazen stop die in "keldertjes" vervoerd en opgeslagen werden. Zie kraamflesje.

NAILSEAFLES Eng. (o):

Fles, vervaardigd van met email gevlekt glas; oorspronkelijk witte vlekken op zwart of donkergroen glas, later in allerlei andere combinaties vervaardigd. Eind 18e eeuw ontworpen door de glasblazer John Robert Lucas, de oprichter van de Nailsea Glassworks nabij Bristol.

NEBUCADNEZAR (hist):
Een wijnfles met de inhoud van twintig wijnflessen (15lt.). Gebruikt voor Champagne.

NEELMEYER (f):
Inktfles met vierkante romp en rond aflopende horizontale schouders. De hals is cilindrisch. Komt voor in de maten 1/8, 1/4, 1/2, 1/1 liter. Het model werd voor het eerst gebruikt door Neelmeyer en Co. te Apeldoorn (1880 - 1920): daarna door bijna alle Nederlandse inktfabrikanten.

ODEURFLES (i):
Zie parfumfles.

ODOL-FLESJE (f):

Speciaal voor de firma Odol in 1839 ontworpen mondwaterflesje met een eigenaardige monding. Deze bevindt zich opzij van de top van het flesje, opdat men bij gebruik een beter bereik in de mond had.
Vervaardigd van melkglas.

OLIEFLES (i):
Verzamelnaam voor veelvormige huishoudflessen. Een onderverdeling is te maken in verpakkingsglas en tafelgerei. Deze laatste categorie is meestal uitgevoerd in karafvorm al dan niet samen met een azijnfles in houder.

OORFLES (m):

Drankfles, veelal kruikmodel en voorzien van een oor.

ORDINAAL (hist):
Een glazen bol met meestal korte hals die gevuld werd met water. deze werd opgehangen of op een metalen statief geplaatst met daarachter een brandende kaars. Het effect hiervan was dat het licht op een bepaalde plaats werd gecentreerd. Schoenmakers, kantwerkers en graveurs maakten hiervan gebruik. ook kerken pasten deze manier van verlichten toe. een andere naam is schoenmakersglas of kerkebol.

OZZIE Eng:
De naam is afgeleid van de Engelse inhoudsmaat ounce, waarvan de afkorting  oz. algemeen gebruikelijk is/was. een ounce is 2,83 cl.

PAARDEHOEF (m):

Wijnfles met aflopende schouders die qua ontwikkeling volgde op de korte gedrongen vorm van de kattekop. De vorm vertoont duidelijk gelijkenis met een paardehoef, voorzien van een kort stukje onderbeen.

PARFUMFLES (i):
Algemene benaming voor flessen in diverse modellen, met als gemeenschappelijk doel het verpakken van parfum, odeur of reukwater. De geschiedenis ervan gaat terug tot in de Romeinse tijd. de Romeinen verpakten in deze flessen ook hun balsem en specerijen. (zie Balsemarium)

PATROONFLES (g):
Zie sifonfles.

PECTORAL (Fr.):
Zie hoestdrankfles.

PEERVORMIGE FLES D (m):
Dui: Birne

Min of meer peervormige laat-middeleeuwse fles, vooral vervaardigd in Duitsland (15e/16e eeuw).

PELGRIMSFLES (g):
Fles(je)dat als vaatwerk bij rituelen werd gebruikt al dan niet met heilige olie gevuld. Worden veel in het Midden-Oosten aangetroffen, voorzien van Joodse of Christelijke symbolen. Er zijn verschillende vormen bekend. Kenmerken zijn vaak de ogen op het flesje, waar doorheen het draagkoord werd gevoerd. De Wallace collection in Londen bevat een geëmailleerde pelgrimsfles uit de 16e eeuw van 34,7 cm.

PENISFLESJE (m):
Cilindrisch flesje (17e/18e eeuw) met daarop geschilderd Adam en Eva staande onder een boom; op de bodem is de afbeelding van een mannelijk lid te zien. In de 15e eeuw werden ook flesjes in de vorm van een penis geblazen. De flesjes dienden als verpakking van z.g.n. liefdeselixers.

PENNENLEGGER of PENLEGGER (m):

Verzamelnaam voor een inktflesje met een uitholling of richel om de penhouder op te leggen. Komt in een tiental vormen voor, vooral vierkant en langwerpig.

PERNODFLES (hist):

Cilindrische fles met middellange hals, vaak voorzien van een glaszegel.

PILLENFLESJE (i):
Cilindrische fles, wijde monding, korte nek, dikwijls met maataanduiding in de bodem.

PINT(S)FLES (hist) (i):
Fles met 1 pint inhoud. (Zeer streekgebonden inhoudsmaat)

PITKIN FLASK USA (o):
In de lengterichting geribbeld ovaalachtig taps toelopend flesje. 18e/19e eeuw.

PIXAVONFLES (f):

Typisch gevormd haarwaterflesje met kort lichaam sterk aflopende schouders en in verhouding zeer lange hals.

PLATLUIS (m):
Populaire benaming voor heup- of zakfles (zie aldaar).

PLEMP (hist) (nv):
Naam gevonden in 19e eeuws tentoonstellingsoverzicht van J.F. Hofman & Zn. te Rotterdam.

PLOMPE (m):
Een fles die de laatste tussenvorm is van hamer naar cilinder. Dit gaat op voor wijn- en bierflessen: ontwikkeling vanaf midden 18e eeuw.

PLUGFLES OF STOPPERFLES Eng (m):

Als voorloper van de Codd bottle werd de fles onder druk afgedicht met een houten of ebonieten stopper met rubber rand, tegen de glazen hals van de fles.

POMERANS (m):
Cilindrische fles, die sterk lijkt op een Haarlemmer oliefles, maar die voorzien is van een korte ingesnoerde opening, die aan de pomerans van een biljartkeu doet denken.

PORRON Sp:

Spaanse (vanaf de 18e eeuw bekende) drinkfles met spits toelopende tuit, van waaruit men de wijn rechtstreeks in de mond kan gieten.

PORTFLES (i):
Een algemene benaming voor flessen waarin enigszins zoete wijn wordt gebotteld. Portwijn is genoemd naar de Portugese havenplaats Porto.

POSTELEINFLES (i):

Karakteristieke Nederlandse inmaakfles, voorloper van de overbekende weckfles. Cilindervormig met geleidelijk aflopende schouders, "rolled lip"en wijde monding. O.a. voor het inmaken van de bladgroente postelein.

POT (hist):
Verkorte naam voor de Luiker Bourgogne pot, die lange tijd een eenheidsmaat is geweest. Dit was een groene, bolvormige wijnfles met lage schouders. De officiële inhoud was 1,45 liter volgens een Frans decreet uit 1813. Over het algemeen werd de inhoud echter tussen 1,28 en 1,32 liter aangehouden.

PROEFFLES (g):
Zie monsterfles.

PUL:
Thans: cilindrische kort buikige bierfles, meestal met beugel afgesloten. Vroeger: vaatwerk met dikke buik en korte hals.

PIJPJE:
Moderne benaming voor bierflesje met kroonkurksluiting. Zie apollinaris.

PYXIS (hist):
Doosachtige fles met dekseltje, reeds in gebruik in het oude Egypte, maar vooral in het latere Romeinse Rijk. Bevatte cosmetica.

REUKWATERFLES (i):
Zie parfumfles.

REISFLES (g):
Zie koetsiersfles.

REHOBOAM (hist):
Een wijnfles met de inhoud van zes wijnflessen (4,5lt.). Gebruikt voor Champagne.

RIGABALSEMFLESJE (hist) (i):

Plat flesje, ronde vorm soms voorzien van een cachet.

ROOMFLES (i):

Dezelfde kenmerken als een melkfles, maar dan met kleinere inhoud. Zie melkfles.

ROTTERDAMMERTJE (hist):

Cilindrische fles met lange gladde hals, ongeveer even lang als het lichaam. Behoort tot de familie van de langhalzen.

RUMFLES


RIJKSEIGENDOM (f):

Een ronde fles met een korte hals. Veelal voorzien van een cachet met opschrift "RIJKSEIGENDOM". In gebruik als medicijnfles bij het Nederlandse leger van ± 1820 tot ±1915. In diverse kleuren glas uitgebracht: o.a. zwart, amber, groen, geel en aqua.
De maatvoering was zeer divers: Van 0,05 lt. tot 10,00 lt.

RIJNWIJNFLES (hist) (i):

Ook Rijnsche Wijnflesch. In onbruik geraakte benaming voor de Moezelwijnfles. Zie moezelwijnfles, hock en fluitfles.

SAFFARKE (m):
Vlaamse benaming voor kogelfles, knikkerfles. Zie de omschrijving aldaar.

SALMANAZAR (hist):
Een wijnfles met de inhoud van twaalf wijnflessen (9lt.). Gebruikt voor Champagne.

SAUTERNE FLESJE (hist) (nv):
De naam is aangetroffen in de catalogus van een glasfabriek, maar is nog niet verklaarbaar.

SCHNAPSFLASCHE  D (i):
Alpenlanden. Relatief smalle achtkantige sterke drank fles van helder glas. Veelal voorzien van een spreuk en/of motief in emailverf.

SCHNAPPSFLES (hist):
Vierkante fles, oorspronkelijk door Duitse handelshuizen op de markt gebracht voor o.a. jenever. Door de Nederlandse distilleerderijen uitgebracht onder de namen Aromatic Schnapps"en "Schnapps Aromatico".

SCHOENMAKERSGLAS (g):
Zie ordinaal.

SCHOORSTEEN (m):

Inktflesje met uitbouw die dienst doet als reservoir. Werd ook wel bocheltje genoemd.

SCHUIMBORSTEN (hist):
Dikwandige fles, vooral bestemd voor champagne, voorzien van stevige glasdraad voor het binden van de kurk.

SELDERIJ-OORKANNETJE (m):
Romeins flesje voor tafelgebruik, schouder en hals vrij geblazen, de mond is breed met een naar binnen gevouwen rand, het oor loopt van de rand van de schouder omhoog en wordt hoekig omgebogen naar de hals (vertoont gelijkenis met een selderijstengel).

SELTZER (SELTERS) (hist):
Dikwandige, cilindrische fles voor de verpakking van koolzuurhoudend bron/tafel water.

SIFONFLES (g):

Cilindrische, brede en zware fles met bijna horizontale schouders en korte hals. Werden voor koolzuurhoudend water gebruikt. Voorzien van een metalen hevel (=sifon) met soms daarin een verwisselbare koolzuurpatroon. Voor deze flessen was statiegeld verschuldigd zodat deze steeds opnieuw in omloop kwamen. Vaak prachtig versierd met fluor- of zandstraaletsen van firmanaam, ook wel eens voorzien van een stalen gaasnetje als extra bescherming. De sifon is in 1813 uitgevonden door Charles Plynth.

SLINGERKOGEL USA (g):
USA: Target Ball
Gekleurde bol, veelal gevuld met vloeistof of confetti, door middel van een slingerapparaat de lucht in gegooid om door sportschutters te worden neergeknald. Vormde gedurende zo'n 50 jaar (± 1840 - 1890) de vervanger van de levende duif en was de voorloper van de huidige kleiduif (aardewerk schoteltje).

SNOEPFLESJE (i):
Flesjes in alle soorten, maten en modellen waarin snoepgoed werd verpakt. Soms in figuurvorm zoals koffer, trein, vliegtuig e.d.

SNUIFFLES (i):
Kleine flacon bestemd voor het bewaren van snuifpoeder, meestal kunstig beschilderd met bloemen, landschappen vogels of figuren, oorspronkelijk Chinees. werd niet alleen van glas maar ook van kristal, porselein, jade, agaat of amethist gemaakt. Een lepeltje om de poeder uit het flesje te scheppen is binnen aan het stopje gehecht.

SNUIFTABAKFLES (g):
Zie cacaofles.

SODAWATERFLES (i):

Zie voor beschrijving de mineraalwaterfles. De naam sodawater is afgeleid van sodium-bicarbonaat dat aan het (bron)water werd toegevoegd om dit beter te laten mousseren.

SPAWATERFLES (i):

Lange tijd een verzamelnaam voor flessen met natuurlijk bronwater. Het water uit Spa genoot zo'n grote bekendheid, dat alle mineraalwater spawater werd genoemd. Vanaf midden 17e eeuw tot eind 18e eeuw werd het echte Spa-water verpakt in typische flessen in een tweetal uitvoeringen:
1 Met een bijna cirkelvormige buik, afgeplatte voor- en achterzijde, de hals cilindrisch en vrij lang,
   soms voorzien van een ring van glasdraad.
   In verzamelaarskringen aangeduid als "tennisracket".
2 Met een dikkere buik en wat kortere hals, soms voorzien van een gekartelde glasdraad.
   In verzamelaarskringen aangeduid als "kalebas"
De flessen moesten liggend worden opgeslagen om uitdrogen van de kurk te voorkomen, ook het (natuurlijke) gas zou dan ontsnappen.

SPINOLIEFLES (hist) (i):

Andere benaming voor de kattekop (zie aldaar). Oliefles, gebruikt tijdens het spinnen van garens, komt echter ook voor in apotheken en zal dan een andere inhoud hebben gehad.
Opm. : Volgens publicatie Werner Neugebauer over een apotheker uit de 16e eeuw in Lübeck.

SPUITWATERFLES (i):
Zie sifonfles.

SQUAT  Eng (hist):
Zie plompe.

STIEGEL FLASK USA (o):

In de lengte richting geribbeld ovaalachtig, taps toelopend flesje. 18e/19e eeuw.

STOELTJE (hist):

Inktflesje met slechts één uitholling om de penhouder op te leggen. Zie ook: pennelegger.

STOOPFLES of STOOP(S)KAN (hist):
Fles of kan met inhoud van 1 stoop

STOPFLES (m):

Grote ronde of hoekige voorraadfles die met een glazen stop kon worden afgesloten. Vroeger in veel huishoudens en winkels aanwezig voor het bewaren van allerlei etenswaren. Vaak met ribbels of bobbels uitgevoerd voor een beter houvast. Zie ook tentoonstellingsfles.

STOPPERFLES
Zie Plugfles

STOUTFLESJE (hist):
Zie bierfles.

STRUIKFLESCH (hist) (nv):
Naam aangetroffen in een 19e eeuwse catalogus. Niet verklaarbaar.

STRIJKGLAS (g):

Een cirkelvormig stuk massief donker glas met een vlakke en bolle zijde. Meestal met pontielmerk.
In opgewarmde toestand werd de "strijksteen" gebruikt voor het strijken van -licht vochtig- gemaakte kleding. Luxe exemplaren waren voorzien van een steel.

STRIJKIJZER (m):

Benaming voor een "liggend" inktflesje met een constant inktreservoir in de hals.

SUIKERFLES (i):
Huishoudfles met een brede rechttoelopende romp en enigszins uitstulpende mond, gebruikt voor het bewaren van suiker. De fles werd afgesloten met een lederen lap of doek. een koordje werd onder de mond gesnoerd, waar zich meestal een versmalling bevond.

SYPHONFLES:
Zie sifonfles.

TAPPIT HEN (hist):
Een wijnfles met de inhoud van drie wijnflessen (2,25lt.). Gebruikt voor Port.

TENTOONSTELLINGSFLES (g):

Stopfles (zie aldaar) gebruikt om waren uit te stallen, de stop dient als voet.

THEEFLES (i):

Een veelal rechthoekige fles, gebruikt voor het luchtdicht verpakken en bewaren van thee.

TIROLER SCHNAPSFLES (g):

Een fles met een (zes)hoekig lichaam met een ingezette hals (de z.g. Duitse tweede dompeling methode). Emaille beschilderd met florale en humane figuren en vaak voorzien van een spreuk in Tirools dialect. Gebruikt bij bijzondere gelegenheden, vooral bij huwelijksplechtigheden. Populair in de eerste helft van de 19e eeuw.

TOKAYERFLES (i):

1 Cilindrische fles, waarvan het lichaam aan de boven- en onderzijde is voorzien van ribbels,  waardoor zij wat op een tonnetje lijkt.
2 Cilindrische fles met een relatief lange, smalle hals met pictorale behakking van een menselijk figuur en het woord "Tokay".

TRANENFLESJE (hist):
Flesje dat men in graven uit de oudheid vindt en waarin, zo meende men, de bloedverwanten van de overledene hun tranen hadden verzameld.

TRUFFELFLES (i):
Taps(e) fles(je), wijdmond, meestal van ondoorzichtig groen/bruin glas. Het lijkt erop of men van een normale fles de hals heeft afgenomen en die als een op zichzelf staande, tapse flesvorm heeft gebruikt. Zij werd vooral gebruikt voor de export van truffels (soort paddestoelen) van Frankrijk naar Engeland.

TUIMELFLACON (hist):
Inktflesje dat ook in een schuine stand geplaatst kan worden.

TUINKLOK (hist) (m):
Klokvormig glazen voorwerp met open onderzijde. In vorige eeuwen gebruikt voor het kweken van exotische gewassen, m.n. ananassen. Voorloper van de huidige glazen broeikas.

TUITFLES (m):
Zie druppelfles.

TWEELINGFLES (m):
Sierlijke, meestal gelijkvormige flesjes (soms elkaars spiegelbeeld) die zodanig aaneengesmolten zijn dat er een esthetisch geheel ontstaat, vaak toegepast bij olie- en azijnstellen.

UNGUENTARIUM Rom (hist):
Flesje met een ietwat taps toelopend bol lichaam, voorzien van een relatief lange rechte hals. Gebruikt voor zalf en andere smeersels. Deze vorm was vooral in de 1e en 2e eeuw na Chr. populair in het Romeinse Rijk.

URINAAL (g):

Een fles met een brede opening en één vlakke zijde, gebruikt voor het opvangen van urine van een (ziekenhuis) patiënt. Gelet op het onderscheid in de anatomie bestaan er zowel specifieke exemplaren voor het gebruik door vrouwen als door mannen.

VELDFLES (g):
Algemene benaming voor een afgeplatte, buikige fles, die werd gebruikt voor het meenemen van dranken. Ook in emailuitvoering bekend, soms bekleed met isolatiemateriaal.

VERGIFFLES, GIFFLES (g):

Verzamelnaam voor diverse soorten (vaak kleine) flessen, bestemd voor het verpakken van giftige stoffen. De romp is vaak voorzien van ribbels, bobbels, ruitjes, richels of opvallende symbolen zoals bijv. een doodshoofd. Ook kenmerkend zijn de aparte kleuren: gifgroen en kobaltblauw. Rond 1930 realiseerde men zich dat dit soort flessen juist de aandacht van kinderen trok. Vanaf die tijd werden veiliger sluitingen (dan kurk of stop) aangebracht. Het reliëf op de flessen was ook bedoeld om deze in het donker snel te herkennen.

VICHYFLES (hist):
Zie spawaterfles.

VIERKANTJE (hist) (m):
Zie kelderfles.

VISNETDRIJVER (g):

Glazen bol, voorzien van een glazen afsluitpost (soms met firmasymbool) om visnetten drijvende te houden. Vooral gebruikt in de tweede helft van de 19e en in de eerste helft van de 20e eeuw.

VOORRAADFLES (g):
Verzamelnaam voor diverse grote flessen die werden gebruikt voor het bewaren van levensmiddelen, soms voorzien van een mand. Zie ook mandfles.

WARNERS SAFE BOTTLE (Eng):

Ovale fles in bruin en groen voor veel geneeskundige dranken. Met afbeelding van een safe (brandkast). Midden en eind 19e eeuw.

WATERFLES (i):
Zie voorraadfles.

WECKFLES (g):

Brede, schouderloze fles met glasdeksel, voor het inmaken van levensmiddelen, luchtdichte afsluiting door middel van gummiringen, klemmen en verhitting in z.g. weckketel. De naam is afgeleid van de firma J. Weck & Co. uit Oostenrijk, opgericht in 1895, die vooral voor de 1e wereldoorlog een grote afzet had in heel West-Europa, met uitzondering van Engeland.

WHISKYFLES (i):
Verzamelnaam voor diverse soorten flessen voor het z.g. "levenswater". Vaak als zakflacons van dik glas met korte nek, rond geschouderd, versierd met ribbels en knobbels, ook als bescherming tegen breuk. De USA is bekend om zijn vele " figurals", meestal vrij platte flessen met de meest uiteenlopende voorstellingen daarop.
Opm.: Het woord whisk(e)y is afkomstig uit het Keltisch "wisque beatha" hetgeen "levenswater" betekent.

WOELFSCHE FLES (hist):
Zie laboratoriumfles.

WIJDMOND (hist) (m):
Verzamelnaam voor flessen met een wijde monding. Gebruikt voor de opslag en transport van vruchten (al dan niet gedroogd of op sterk water gezet) en zaden. Andere namen in dit verband in archieven aangetroffen zijn:
-Wyemonds celderflessen
-Wytmonden
-Wyemonds pints
-Gentse potten
-Antwerpese potten
Opm.: bij de laatste twee benamingen gaat het om spraakgebruik uit de 18e eeuw in de Zuidelijke Nederlanden.

WIJNFLES (i):
Benaming voor alle flessen waarin wijn wordt bewaard en vervoerd, is in de loop der tijden aan sterke verandering onderhevig geweest, achtereenvolgens shaft and globe, buikje of kattekop, paardehoef, hamer of mallet, cilindrische fles. Bepaalde streken hebben ook hun eigen vormen ontwikkeld zoals: Bourgogne, Bordeaux, Champagne en Rijn-Moezel.

ZAADFLES (i):

Nederlands     Duits                 Frans                Frans
Grote cilindrische, wijdmondige fles voor het bewaren van zaaigoed.
Opm.: Er zijn ook achtkantige modellen van bekend (zeldzaam). Ook een vroege Nederlandse variant (bekend vanaf de 17e eeuw) werd zo genoemd. De vorm daarvan komt overeen met die van een kattekop (zie aldaar) met een wijde monding.
 

ZAANSE FLES (hist):
Bolle (karafvormige) fles met lange hals. Versierd met opgelegde en gekartelde stroken glas en beschilderd met een bruid en bruidegom en een (Zaanse) molen.

ZAKFLES (g):
Fles voorzien van een holle zijde, wat dragen tegen het lichaam makkelijker maakt.

ZALMLIKEURFLES (i):
Dui: Lachs
Rechthoekige likeurfles met korte, nauwe hals en voorzien van een cachet met een Davidster en een zalm. Oorspronkelijk uit Dantzig (dist. "Der Lachs") afkomstig.

ZARA:

Kersenlikeurfles, genoemd naar de hoofdstad van Dalmatië: Zara. Deze naam kwam voor op de glaszegels van de flessen.
Zie voor verdere beschrijving: marasquinofles.

ZUID-AMERIKAANSE FLESSEN (hist):
Deze benaming is in de catalogus van een glasfabriek aangetroffen. Er werd in dit verband gesproken van o.a. bier- en portflessen.

ZUIGFLES (g):

Smalle, langwerpige cilindrische fles met dito hals, soms iets breder uitlopende mond voor het beter vast houden van de zuigspeen. Vaak met schaalverdeling in glasreliëf, ook met ets of beschildering. Vroege exemplaren hebben geen speen maar een opening in de zijkant van het lichaam, hierop kon een vinger gehouden worden voor het doseren van de inhoud.

Niets van bovenstaande publicatie mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze ook en evenmin in een retrieval system worden opgeslagen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van "De Oude Flesch".